Hallo aanstaande vormeling, op deze pagina vind je allerlei informatie over het vormsel. Voordat ik je wat kan uitleggen over het vormsel zelf, moet je eerst een paar andere dingen weten. Anders snap je straks niet waar ik het over heb. Wat ik je eerst uit moet leggen is wat een symbool is:
Symbool
Een symbool is iets wat je helpt herinneren of je in een bepaalde stemming helpt komen. Aan deze uitleg heb je natuurlijk nog niks, ik zal ook een paar voorbeelden geven. Stel je voor: je had een lievelingsoma. Toen je klein was, heb je heel vaak bij haar gelogeerd, en dan ging je oma in haar eigen stoel zitten, en jij er vlak bij, en dan las ze je voor. Toen je oma stierf mocht jij haar stoel hebben. En heel vaak als je in die stoel zit, dan denk je weer even aan je oma. Voor jou is die stoel een symbool van je oma: door die stoel denk je vaker terug aan je oma, dan wanneer je die stoel niet had gekregen.
Een ander symbool is bijvoorbeeld een voetbalvaantje: dat kan je doen denken aan die spannende wedstrijd waar je bij bent geweest, of aan de club waar bij je voetbalt.
Maar: de stoel van je oma of dat voetbalvaantje zijn persoonlijk symbolen. Die stoel doet alleen jóu denken aan je oma, en voor iemand die niet van voetbal houdt, betekend zo’n voetbalvlaggetje ook niets.
Er zijn ook symbolen die door groepen mensen, bijvoorbeeld in de kerk, worden gebruikt. Ze leren elkaar waar een symbool voor is, door hoe ze er mee omgaan of wat ze erover vertellen. Een voorbeeld van een symbool in de kerk is het kruisbeeld wat ons helpt herinneren hoe Jezus is gestorven en door God is opgewekt uit de dood. In de kerk worden symbolen ook gebruikt bij de sacramenten:
Sacrament
Een sacrament is een moment waarop iets speciaals wordt gezegd en gedaan. Dat klinkt natuurlijk weer heel vaag, maar ook dit zal ik verder uitleggen. Net zoals je soms een symbool nodig hebt om je te helpen herinneren, heb je soms ook iets speciaals nodig om een gevoel te helpen uitdrukken. Stel je voor dat je verliefd bent. Dan kun je dat elkaar wel vertéllen, maar als je echt verliefd bent, is dat niet genoeg. Dan wil je elkaar ook graag aanraken, knuffelen, een zoen geven. Die knuffel of die zoen zijn dan de tekens en gebaren waarmee je nog eens extra laat weten en voelen: ‘ik ben dol op jou’.
Ook in de kerk zijn er momenten dat woorden alleen niet genoeg zijn. Om beter te kunnen ‘voelen’ en ‘snappen’ hoe God er wil zijn voor de mensen en hoe wij steeds bij God mogen aankomen, hebben wij in de kerk ook gebaren en tekens nodig. Dat noemen we sacramenten.
Het klinkt misschien gek, maar je kunt zeggen; een sacrament is een zoen of een knuffel tussen God en mensen. In een sacrament laten God en de mens aan elkaar zien wat ze voor elkaar voelen. In de rooms-katholieke kerk hebben we zeven van zulke momenten: doop, eerste communie, vormsel, huwelijk, priesterwijding, biecht en ziekenzalving.
Drie van die sacramenten zijn initiatiesacramenten. Ook het vormsel is een initiatiesacrament. Initiatie, dat betekent zoveel als: ‘inwijding’, ‘er hierdoor bij gaan horen’. Dat klinkt je misschien raar in de oren, maar voordat je gevormd gaat worden heb je al twee andere initiatiesacramenten ontvangen: de doop en de eerste communie.
Ik heb net gezegd dat een sacrament lijkt op een knuffel of zoen van God. Maar net zoals je in je gewone leven je niet zomaar door een onbekende laat zoenen of knuffelen, doet ook God dat niet zomaar. Je moet eerst ‘kennismaken’. Je kunt je daarom een initiatiesacrament het beste voorstellen als de uitgestoken hand van God, waarmee God zoveel wil zeggen als: ‘Hallo, hier ben Ik. Wil jij met Mij op pad gaan?’. En jij kiest dan om die hand aan te nemen als je bij de bediening van dat sacrament antwoordt met ‘amen’.
De doop
Door de doop ga je bij de groep mensen horen die geloven dat Jezus de zoon van God is, en die willen proberen te leven zoals Jezus heeft voorgedaan. Ze willen leerlingen van Jezus zijn. Die mensen worden ook wel ‘christenen’ genoemd, naar de eretitel van Jezus: Christus. Christus betekent ‘gezalfde’ en komt van het Griekse woord 'Christos', wat een vertaling is van het Hebreeuwse 'Messias'. Over dat ‘gezalfd zijn’ zal ik straks meer vertellen.
De eerste communie
Wanneer je een jaar of zeven bent, en oud genoeg om wat meer te begrijpen over Jezus, dan mag je mee gaan doen aan de communie, aan de ‘tafel van Jezus’. Want vlak voordat Jezus stierf aan het kruis, heeft hij gegeten met zijn leerlingen, en hun gevraagd op die manier regelmatig met elkaar te blijven eten, om zó aan hem te denken. Die maaltijd is dus een symbool: het helpt ons denken aan wat Jezus heeft gedaan. Maar het is ook een sacrament: in het brood (de hostie) en de wijn is Jezus heel dicht bij ons. Je kunt ook zeggen: als we ‘ter communie gaan’ krijgen we een knuffel van God om ons te helpen te (blijven) leven als leerlingen van Jezus.
En dan nu: het vormsel
Door de doop hoor je al helemaal bij de leerlingen van Jezus, hoor je al helemaal bij de kerk. Maar je mag dan nog niet aan alles meedoen. Pas als je oud genoeg bent om een beetje te gaan snappen dat de ‘tafel van Jezus’ bijzonder is, mag je ook daaraan mee gaan doen. Maar ook dan mag je nog niet aan alles meedoen. Je kunt dan bijvoorbeeld al wel misdienaar worden, maar nog geen lector (voorlezer). Na het vormsel mag je aan (bijna) alles meedoen. Wat de kerk betreft ben je dan helemaal ‘ingewijd’ en ben je ‘volwassen’, ‘volgroeid’. Je mag dan ook lector (voorlezer) worden, of aan een werkgroep mee gaan doen. Ik ben bang dat je daar nu nog weinig zin in hebt, maar het mág wel.
Belangrijk om te weten
Bij de doop en de eerste communie hebben je ouders voor jou gekozen. Zíj hebben besloten dat je gedoopt werd, en dat je meedeed aan de eerste communie. De kans is groot dat je ouders je ook hebben opgegeven voor de voorbereiding op het vormsel, en dat je er zelf misschien niet eens zin in hebt. Misschien weet je nog helemaal niet of je wel gevormd wil worden. Het volgende is daarom heel belangrijk voor je om te weten: de voorbereiding op het vormsel is om je te helpen kiezen of je gevormd wilt worden of niet. Dus: na de voorbereiding mag je ook ‘nee’ zeggen!
Je ouders kunnen je naar de voorbereiding toe sturen, maar jíj moet kiezen of je je wel of niet laat vormen. Het is jouw besluit.
Het woord 'vormen' komt namelijk van het Latijnse werkwoord firmare dat 'bevestigen', ‘vastmaken’, betekent. Het vormsel ‘bevestigt en voltooid de doop’. Dat klinkt weer heel plechtig. Wat het wil zeggen is dat bij de doop je ouders voor jou ‘ja’ hebben gezegd op de vraag of je bij de kerk wil horen. Bij het vormsel laat je weten dat je zelf ook ‘ja’ zegt en dat je wilt proberen om in je leven plek in te blijven ruimen voor God, voor geloof en kerk.
Wat gebeurt er precies bij het vormsel?
Bij het sacrament van het vormsel zalft de vormheer je voorhoofd met chrisma, en legt je de hand op met deze woorden: '(Naam), ontvang het zegel van de heilige Geest, de gave Gods'. Jij antwoordt dan met ‘amen’.
Chrisma
Chrisma is een mengeling van olijfolie met balsem (een mengeling van dingen die lekker ruiken). Het is een heel speciale olie, die elk jaar op Witte Donderdag door de bisschop wordt gewijd. Op diezelfde dag wordt ook olijfolie zonder balsem gewijd: de catechumenenolie en de ziekenolie. Iedere parochie krijgt dan van elke olie een klein flesje mee, genoeg voor een jaar.
Handoplegging
De vormheer legt zijn hand op je hoofd bij het vormsel. In de bijbel betekent het opleggen van de handen het doorgeven van de zegen van God. Maar een hand op je hoofd voelt ook lekker warm, veilig. Hoe iets voelt geeft vaak al een hint over wat het betekent. Wanneer de vormheer je de hand oplegt en zalft wil dat uitdrukken: God beschermt je, God zegent je, God ziet het met jou zitten. Maar ook: God geeft je de opdracht als christen te leven.
Je ouders (of peter/meter) staan bij het vormsel naast je met hun hand op je schouders. Dat doen ze om jou te laten voelen en andere mensen te laten zien: ‘We staan helemaal achter ons kind. We willen ons kind steunen in zijn keuze voor het vormsel.’
Zegel
Vroeger maakte men een zegel (van rode was) vast aan een contract of belangrijk document om te laten zien dat het echt was. Door te zeggen: ‘ontvang het zegel van het heilige Geest, de gave Gods’ willen we zoveel zeggen als: je mag in het vormsel de enige echte en goede Geest van God ontvangen als gave, als cadeautje.
De heilige Geest
Je hebt het in de kerk vast wel eens horen zeggen: ‘in de naam van de Vader, Zoon en heilige Geest’. De Vader, dat is God en de Zoon, dat is Jezus. Dat weet je vast al wel. Maar wie of wat is nu eigenlijk die heilige Geest?
Niemand weet hoe de Geest er uit ziet. De Geest is net als de wind: je ziet wat de wind doet: takken bewegen, boten zeilen, de vlag wappert, maar de wind zélf zie je niet. Zo is het ook met de Geest. De Geest zelf zie je niet, maar je kunt wel merken wat de Geest doet. Misschien ken je het spreekwoord ‘aan de vruchten herkend men de boom’. Letterlijk betekent dat: als je niet zeker weet wat voor boom het is, dan moet je wachten tot er vruchten aan hangen en dan zie je direct: ‘hé, dit is een appelboom’. Maar het betekent ook: als je wilt weten of iets goed of slecht is, moet je afwachten wat de gevolgen, ‘de vruchten’, ervan zijn: goed of slecht. In de bijbel staat dat onder andere de liefde, de vreugde, de vrede, het geduld, de vriendelijkheid, de goedheid, het vertrouwen, de zachtmoedigheid en de zelfbeheersing vruchten van de Geest zijn (Galaten 5, 22-23).
De heilige Geest hoort bij God; als die Geest ‘over je komt’ dan ben je ‘vol van God’. Van Jezus wordt in de bijbel verteld dat hij ‘vol was van de Geest’, dus ‘vol van God’. Daarmee wordt bedoeld dat Jezus heel bijzonder was. Soms zeggen mensen wel: ‘dat is echt een zoon van zijn vader’, als ze een kind iets zien doen dat hun heel sterk aan zijn vader doet denken. Ook Jezus is echt een zoon van God zijn Vader.
Hoe kun je je de Geest voorstellen?
In de rooms-katholieke kerk hebben we afgesproken dat God de Vader, Jezus zijn Zoon en de heilige Geest alleen afgebeeld mogen worden zoals er in de bijbel over ze verteld wordt. In de bijbel wordt de Geest beschreven als 'iets als een duif' dat landt op Jezus’ schouders vlak na zijn doop. En in het Pinksterverhaal wordt verteld dat de leerlingen ‘iets dat op vlammen leek’ op hun hoofden krijgen. Daarom word de Geest altijd geschilderd en getekend als een duif of als vuur. Omdat een van de vruchten van de Geest de vrede is, wordt de duif ook gebruikt als symbool voor de vrede.
Zalving vroeger en nu
In de bijbel wordt verteld dat koningen, priesters en profeten werden gezalfd. Dat gebeurde met geurige olie. Zo konden andere mensen weten dat deze mensen ‘een goede reuk’ hadden, een goede reputatie. Dat was ook een teken: ‘God ziet het met deze mensen zitten’. Ook werd met die zalving de Geest van God over die mensen ‘uitgegoten’, net als de olie werd uitgegoten over hun hoofd.
Die Geest hadden ze ook nodig, want aan de zalving zat ook altijd een opdracht vast: de koning moest het land besturen op een manier die bij God past, de priester moest goed voorleven hoe God het bedoeld heeft en de profeet had de opdracht namens God het te zeggen als mensen het niet goed deden. Ze moesten dus allemaal op hun eigen manier en in hun eigen beroep ‘getuigen van God’ zijn.
Ook Jezus is gezalfd. Ik vertelde al dat zijn eretitel ‘de gezalfde’ is. Dat is ook omdat Hij voor ons de getuige van God bij uitstek is.
In de rooms-katholieke kerk wordt de zalving nog steeds gebruikt: bij de doop, het vormsel en bij de bisschopswijding wordt iemand gezalfd.
Er zit wat vast aan het vormsel!
Ik heb je net uitgelegd dat aan gezalfd worden altijd een opdracht vast zit. Bij het vormsel wordt jij ook gezalfd. Daarna heb jij ook de opdracht te gaan ‘getuigen’. Maar dat betekent niet dat je dan de deuren langs moet of mensen op straat moet gaan vragen ‘of ze al gered zijn’. Dat doe ik zelf ook niet. Het betekent wél dat als iemand op school of waar dan ook tegen jou zegt dat hij het stom vind dat je naar de kerk gaat, dat jij dan minstens moet antwoorden: ‘nou, ik vind dat niet’. Als je op zo’n opmerking liever wilt antwoorden: ‘dat vind ik ook, maar het moet van mijn ouders’, dan kun je je beter (nog) niet laten vormen.
Ook moet je vóór je vormsel goed nadenken of je wel naar de kerk wilt blijven gaan. Want als je je laat vormen beloof je daarmee ook dat je naar de kerk zult gaan. Minstens één keer per jaar. Liefst natuurlijk vaker. Je zegt bij het vormsel namelijk dat je zelf ook ‘ja’ zegt tegen de weg van Jezus én tegen de kerk. Dan kun je daarna toch moeilijk voorgoed wegblijven. Dus ook als je denkt dat je nooit meer naar de kerk wilt (zodra je zelf mag kiezen) kun je je beter (nog) niet laten vormen.
Wat moet je doen als je twijfelt?
Stel, dat je ook na de voorbereiding nog twijfelt of je wel gevormd wil worden. Misschien weet je nog helemaal niet of je wel naar de kerk wilt blijven gaan als je ouder bent. Dan kun je twee dingen doen: of je doet mee en ziet wel hoe het later gaat. Of je stelt het vormsel uit tot je het beter weet. Gevormd worden kan namelijk ook later nog. Zelf was ik 25 jaar toen ik gevormd werd. Je kunt wel te jong zijn om al gevormd te worden, maar je kunt nooit te oúd zijn om gevormd te worden.
Ontstaan van het vormsel
Heel in het begin van de kerk werden er vooral volwassen mensen gedoopt. Die werden dan meteen ook gevormd. Dat werd gedaan door de bisschop. Maar toen de boodschap van Jezus bekender werd, kwamen er te veel dopelingen voor de bisschop om te dopen. De parochiepriesters kregen toen ook toestemming om te gaan dopen, maar het vormsel bleef de taak van de bisschop. Toen er steeds meer kinderdopen kwamen (omdat de ouders van die kinderen al bij de kerk hoorden) werd besloten dat je al wel als baby gedoopt kon worden, maar dat je volwassen moest zijn om gevormd te worden. Maar je kunt nog steeds merken dat heel vroeger doop en vormsel in één keer gedaan werden: bij de doop krijgt het kindje vaak ook wat zalf op zijn voorhoofd.
Waarom door de vormheer?
Ik heb je net al verteld dat het de taak van de bisschop bleef om te vormen. Dat is nog steeds zo. Alleen kan de bisschop vaak niet zelf, en dan stuurt hij iemand namens hem: een vicaris (plaatsvervanger van de bisschop) of een deken (dat is een priester die aan het hoofd staat van een dekenaat). De persoon die komt vormen noemen we ‘vormheer’. Soms denken mensen dat het bisdom een vormheer stuurt om in de gaten te kunnen houden of alles wel volgens de officiële regels gebeurd. Dat is niet waar. De vormheer komt vormen om zo te laten zien dat je niet alleen bij je eigen parochie hoort, maar bij de hele rooms-katholieke wereldkerk. De vormheer komt om dat samen met ons te vieren.
Wanneer is de vormselviering?
Omdat Pinksteren het feest van de heilige Geest is, wordt het vormsel vaak met Pinksteren gevierd. Maar het kan natuurlijk ook op andere dagen. Alleen in de veertigdagentijd en in de advent is het niet zo’n goed moment om het vormsel te vieren. Dat komt omdat we ons in de veertigdagentijd en de advent bezinnen op hoe we bezig zijn met ons geloof, en we juist alles wat soberder doen. Daar past het niet zo goed bij om dan ineens groot feest te gaan vieren. Want dat is het vormsel ook: een groot feest.
Frederieke Prinsen pw., augustus 2005