Schriftlezingen: Jesaja 66.10-14c, Galaten 6,14-18 en Lucas 10,1-12, 17-20

De lezing uit de profeet Jesaja
In het eerste hoofdstuk moet Israël niks meer van de Heer weten. Er wordt WEE over hen geroepen (1,4), zij hebben zich van God afgewend en verkeren in een belabberde toestand (1,7). In het laatste hoofdstuk (66) daarentegen wendt God zich opnieuw tot het volk (66,8). Hij toont zich een barmhartige God (zie bv. Leviticus 26,44-45) Israël wordt als het ware opnieuw geboren. Toen in 2018 de Armeense kinderen Lili en Howick uitgezet werden, hoorde ik: “Het recht mag hebben gezegevierd, de barmhartigheid is gestorven”.
Hoofdstuk 1 en hoofdstuk 66 van Jesaja hebben meer dan 40 woorden of woordstammen gemeenschappelijk; ze vormen als het ware een raamwerk om het hele boek. Jesaja verhaalt van de voortdurende spanning en keuze ZONDER God of MET God. Het boek heeft een hoopvol, geloofsvol einde, een happy ending; een oproep MET God te (blijven) gaan. Maar het allerlaatste vers (66,24) getuigt alweer van ZONDER God. Het is inderdaad een wispelturig volk waar Jesaja mee van doen heeft.
De beeldspraak is treffend: borsten vol leven, zuigen en drinken, vrede als water en roem die zich uitbreidt als een steeds groter wordende waterplas, van dragen op de heup en van troost: “Zoals een moeder haar kind troost, zo zal ik u troosten; in Jeruzalem zult u getroost worden.” Zoals een moeder troost…zo zal God Jeruzalem troosten. Een God waar Israël, volgens Jesaja 1,3, niets van moest weten. Maar het slotvers 66,24 laat zien dat het ook zo kan omdraaien.

De overlevering zegt dat er 72 volkeren zijn. De uitzending betreft iedereen, alle volkeren. Twee aan twee, niet één, alleen, alsof hij Johannes de Doper of Jezus zelf vervangt. Hun eerste opdracht is vragen naar meer arbeidskrachten – bijna smeken, bidden, zoals het Griekse werkwoord deomai suggereert. Jezus waarschuwt hen bij de zending: Pas op dat je lam blijft en geen wolf wordt zoals anderen. (Homo homini lupus!). Het zal geen plezierreisje zijn; géén beurs, géén reistas, géén schoenen, niemand groeten…een bijzondere missie.
De openingszin “Vrede aan dit huis” geeft de kern van hun missie aan: Vrede! Op zo’n vredige, ontvankelijke plek heeft het ook zin om te blijven. Dat werkt als een haardvuur. De aandacht richt zich met name op de zieken – hen wordt gezegd: Het Koninkrijk Gods is dicht bij. Het Koninkrijk Gods is geen nieuw onbekend rijk op een wereldkaart. Het duidt op een verandering, een ommekeer naar een wereld, een samenleving zoals het zou moeten zijn; en Hij zag dat het goed was (Gen 1). En als hun boodschap afgewezen wordt dan klinkt dezelfde wens/groet als een waarschuwing: “Weet wel het koninkrijk Gods is dichtbij”, als om te zeggen: maar er komen andere tijden! Waarschuwing? Ja, maar wel een waarschuwing met hoop!
Na gedane arbeid, brengen ze verslag uit van hun missie. Het ging fantastisch, daar kon geen demon tegenop. De laatste zin over ‘hun namen’ lijkt me belangrijk in een sfeer van missionering, van vervolging. Tegen die achtergrond zegt men: het gaat niet om jou, niet om jouw prestaties. Het gaat erom wat jij, jouw naam, betekent in het hemelse plan.

Bij Gelegenheid Van het laatste nummer van De Roerom:
Om een kerk
Om een kerk – open huis
voor de pelgrim die we zijn;
zoekers naar zin
vragen om vertrouwen,

Om een kerk-spectrum
van allerlei kleuren
samen een regenboog
van vrede in de wereld.

Om een kerk – huis van stilte
rustplaats voor geest en gemoed
trefpunt voor allen die
zoet en zuur met elkaar willen delen.

Henk Bloem, pastor

Voor blogs bij de lezingen van deze zondag: lees hier.