Schriftlezingen: Jer 17,5-8 en Psalm 1, en 1 Kor 5,12,16-20 en Luc 6,17,20-26

Jeremia legt nadruk op Gods spreken. Hij begint er zijn boek mee: “zo spreekt de Heer” (1,2) en vervolgt dan met twee keer uitdrukkelijk: Het woord van de Heer kwam tot mij – en nog drie keer: godsspraak van de Heer. Van begin af aan wordt hij als profeet genoemd en aangeprezen. Hij wordt 31 keer profeet genoemd – blijkbaar bang dat wij ’t zouden vergeten!
Als profeet moet hij: 1) laten zien, onthullen, hoe en waarom Israël zich van zijn opdracht en eigenheid afgekeerd heeft, en 2) laten zien hoe de hoge idealen van het verleden niet meer in ere worden gehouden. Hoge idealen ja, het verleden wordt geïdealiseerd. Dat blijkt uit de tegenstelling ‘gezegend – vervloekt’; een tussenweg is er blijkbaar niet. En de nadruk op Woord Gods en op profeet Gods zegt impliciet dat juist dit zo node gemist wordt.

Ook het evangelie kent zijn tweedeling: ‘gezegend’ tegenover ‘wee’. En de locatie is niet zoals bij Matteüs boven op de berg en alleen voor de leerlingen – een selecte groep – , maar in “grote getale” en “grote menigte”, en uit het “hele land” en op “vlak terrein”. Iedereen is welkom. De zaligsprekingen gelden echter alleen zijn leerlingen: zij zijn de sociaal armen die honger hebben, huilen, gehaat worden. Hen wordt hemelse vergoeding toegezegd. Lucas spreekt over de sociale armoede – anders dan Matteüs die spreekt van: “armen van geest”, “hongeren en dorsten naar gerechtigheid”. Lucas vraagt directer: Hoe ga jij om met een mens die sociaal achtergesteld is, die aan de onderkant van de maatschappij moet leven en hoe gaat God met deze mensen, zijn mensen om. Dat is voor Lucas de maatstaf. Voor hem zijn ook de wee-roepen: blijde boodschap. Geluk en Wee zijn twee kanten van dezelfde medaille – samen zijn ze een pleidooi voor de armen.

Henk Bloem, pastor

Voor blogs bij de lezingen van deze zondag: lees hier.