Ik mis je achter op de fiets,
ik mis je in de trein.
Ik mis je bij de H&M,
en bij de Albert Heijn.

Ik mis je als ik jarig ben,
en als de oma’s komen.
Ik mis je als ik wakker lig
ik mis je in mijn dromen.

Ik mis je zonder woorden,
elke dag en elke nacht.
Ik mis je als ik grapjes maak,
en niemand om me lacht.

Ik mis jouw tandenborstel,
naast de mijne in het glas.
Ik mis je voeten op de trap,
ik mis je blauwe jas.

Ik mis jouw kleren in de kast,
je broeken en je truien.
Ik mis je geur, ik mis je stem,
ik mis je boze buien.

Ik mis je als je jarig was,
en iedereen er is.
Ik mis je als ik eventjes,
niet merk dat ik je mis.

Ik mis je als ik keelpijn heb,
ik mis je als ik val.
Ik mis je nergens echt het ergst,
maar altijd overal.

Fragment van het gedicht ‘Altijd overal’, uit het boek ‘Dood-Gewoon’ van Bette Westera en Sylvia Weve