Een discussie die meer en meer klinkt in politiek en samenleving is die van de mogelijkheid om te kunnen kiezen voor het eigen levenseinde wanneer men het leven voltooid acht. Paul van Tongeren, emeritus hoogleraar wijsgerige ethiek in Nijmegen en Leuven, sprak daar onlangs over in de Ludenkapel. Hij schreef het boek Willen sterven, over de autonomie en het voltooide leven (Kok Kairos, 2018).

In zijn lezing ging hij in op het onderscheid tussen euthanasie bij ongeneeslijk en ondraaglijk lijden en hulp bij sterven in geval van ‘voltooid leven’. Waar wetgeving (in Nederlands sinds 2002) over euthanasie is gegrond op barmhartigheid (er is geen andere mogelijkheid het lijden te verzachten), stoelt de wens om hulp bij sterven in geval van voltooid leven op ‘ autonomie’ , de mens die in staat zou zijn hiervoor een vrije en weloverwogen keuze te maken. Uitgebreid ging van Tongeren in op de vraag wat die autonomie van mensen eigenlijk betekent. Is de mens inderdaad instaat tot vrije en zelfstandige keuze met name wanneer het gaat om existentiële vragen? Wordt daar niet te gemakkelijk van uitgegaan? Het gaat immers om een beslissing waarvan geen weg terug is. In tegenstelling bijvoorbeeld tot het autonome besluit te stoppen met roken, of meer te sporten. Dat zijn besluiten, waarop men terug kan komen, die men eventueel kan uitstellen: na de vakantie begin ik eraan, of vandaag nog niet want…, maar volgende week. Dood is dood, dat kun je niet ongedaan maken.

Die aarzeling bij existentiële beslissingen werd ook genoemd in het onderzoek van Els van Wijngaarden (Voltooid leven. Over leven en willen sterven). Een onderzoek waaruit ook bleek dat het verlangen naar de dood niet enkel voortkomt uit het voltooid zijn van het leven, maar vaak ook wordt ingegeven door het gevoel niet tot last van kinderen te willen zijn, door geldzorgen, eenzaamheid, verlieservaringen.  Het verlangen naar hulp om te sterven omdat men niets meer van het leven verlangt, omdat het ‘voltooid’ wordt geacht, gaat regelmatig gepaard met twijfel.
Paul van Tongeren wilde zoeken naar wat het betekent als iemand zegt dat hij dood wil, of dat iemand zich voorstelt dat hij of zij dat in de toekomst zal willen zonder dat er sprake is van geestelijk of lichamelijke uitzichtloos ziekzijn.

Het wetsvoorstel om hulp daarbij mogelijk te maken is voortgekomen uit het burgerinitiatief ‘Uit vrije wil’. De hulp bij zelfdoding wordt door initiatiefnemers gezien als een recht, nl. het recht op autonomie. De voorgestelde wet impliceert dat de overheid de plicht zou hebben ervoor te zorgen dat er mensen zijn die bereid zijn mensen met de autonome stervenswens inderdaad te helpen dood te gaan.

Over ‘een voltooid leven’ is al veel geschreven, stelt van Tongeren. Het is een verbloemende term. ‘Voltooid’ is een term die we gebruiken om iets af te maken, volmaakt te maken, helemaal zoals bedoeld. Maar waar het hier om gaat is dit juist bedoeld om het leven te beëindigen. ‘Levensmoeheid’ of ‘geen zin meer in het leven’, of ‘der dagen zat’ zou misschien passender zijn.

Als belangrijk bezwaar tegen hulp bij zelfdoding noemt Van Tongeren de moeilijkheid om vast te stellen waarom iemand die hulpvraag stelt. Eerder onderzoek had al eens  verwezen naar het verband tussen de wens om te sterven en de gebrekkige omstandigheden op gebied van zorgverlening (Chabot: iedereen ziet het, maar de ingrijpende gevolgen worden niet onderkend) In: Willen sterven, p. 31.
Een verbod op hulp bij zelfdoding wordt door voorstanders van een nieuwe wet gezien als inperking van de autonomie.

Autonomie betekent zelfbeschikking: zelf bepalen wat Ik wil.
Van Tongeren ging uitgebreid in op die autonomie en de vraag of voor het verlangen naar het levenseinde wel een politieke oplossing moet worden gevonden.
De autonomie van de mens wordt als zo vanzelfsprekend beschouwd, maar is ze dat wel? Van Tongeren haalde het voorbeeld aan van mensen die zeggen: ‘Voortaan drink ik nog maar èèn  glas wijn ‘s avonds. Als men dan bij vrienden op bezoek is waar heerlijke wijn wordt geschonken, het is heel gezellig en de gastheer biedt een tweede glas aan,  dan komt men gemakkelijk in de verleiding te zeggen: ‘Ja graag’. Als je die persoon dan later vraagt of dat een autonome keuze was, zal hij zeggen: ‘Ik besloot een dag later te beginnen met maar één glas’ of: ‘ik had ook best nee kunnen zeggen.

Hoe meer de  keuzen die we maken gaan over existentiële vragen, dat wil zeggen vragen die de diepe laag van het bestaan, wie we zijn, raken, hoe moeilijker en weifelender we worden.
Als voorbeeld vertelde Van Tongeren over Augustinus die heel nauwgezet dagboeken bijhield van alles wat hem bewoog en de beslissingen die hij nam. Augustinus beschrijft in zijn dagboeken over het proces van tot besluit komen en ook werkelijk dat besluit uitvoeren om Christen te worden en zich te laten dopen. Hij beschrijft hoe wankelmoedig hij was. Bedenk dat in die tijd je laten dopen een besluit voor het leven was. Je kon er niet meer vanaf. Nog èèn keer biechten om vergiffenis te vragen voor de zondige levenswandel tot die tijd, en dan werd er gedoopt. Eenmaal gedoopt werd men geacht een volwaardig christelijk leven te leiden. Augustinus die een levensgenieter was en een intellectueel en in goede doen, zag er een beetje tegen op. Bekend is zijn gebed: ‘Geef me de kuisheid Heer, maar liever niet nu meteen.’

Hij wilde wel, maar weifelde over de implicaties. De genoegens die hij zou moeten laten varen, maar ook dat hij de christenen uit die tijd maar eenvoudige lieden vond. Dat alles hield hem tegen. Weifelend, wikkend en wegend ging hij verder. Hij wilde wel, én hij wilde niet. Op een avond raakt hij tenslotte totaal overstuur in een crisis. Hij is radeloos en verblijft samen met een vriend in zijn kamer. Het zweet breekt hem tenslotte uit en hij loopt wanhopig de tuin in. Daar krijgt hij dan op wonderlijke wijze de ingeving (of bekering) die hem zijn besluit in daden doet omzetten. In de beschrijving van dat proces verklaart hij tenslotte: en mijn vriend was steeds bij me. De vriend had niets gezegd of gedaan, hij was er.

Het lijkt een eenvoudig voorbeeld maar in de discussies over hulp in geval van ‘voltooid leven’, wordt het aspect van medemenselijkheid en nabijheid weinig benadrukt of maar belicht. Daarin gaat het vooral om politieke oplossingen voor een menselijk probleem dat misschien gebaat is niet zozeer met politiek en wetgeving maar met zorgzaamheid en vriendschap, met samen mens zijn en elkaar nabij zijn.

Wie er meer over wil lezen, kan ik het boek ‘Willen sterven’ van harte aanbevelen.


Jeanette van Osselen, parochiaan Doorn