Project omschrijving

Schriftlezingen: 1 Koningen 19. 9a + 11-13a en Matteüs 14.22-33

Elia staat op gelijke hoogte met Mozes (Mat 17.3). Zijn naam zegt dat hij aan de zijde van  JHWH staat. (ELI = MIJN GOD + JA = JHWH). De Baälpriesters met hun goden en JHWH van Elia bieden a.h.w. tegen elkaar op: Wie is het machtigst?  Het eind van ‘t liedje is dat men hem, Elia dus, naar ‘t leven staat! Ontmoedigd is hij. Dan wordt hem voedsel aangereikt zodat hij 40 dagen en nachten (Bijbelse zegswijze om aan te geven hoe lang je nodig hebt om God te ontmoeten in je leven) vooruit kan om bij de Horeb, de berg Gods, te komen. Daar ‘trekt de Heer aan hem voorbij’, een geijkte formule die zegt dat God zich aan hem openbaart, niet als ‘blijvertje’, niet als een God die je ‘hebt’ en naar je hand kunt zetten. Elia leert dat God ‘anders’ is – anders dan de Baälpriesters van hun goden verwachtten. Hij leert dat God niet machtig, overdonderend tegen alles in, doorzet en over ons heen raast als in een storm. Heel nuchter constateert hij: “de Heer (Hebr.: JHWH) is niet in de storm”.  Ook niet in een aardbeving – of een vuurzee (bijv. vers 38) of welke vorm van vernietigende macht ook. En dan: het suizen van een zachte bries! Zodanig dat  Elia zijn gelaat bedekt, ‘op afstand’ gaat. Hier ervaart hij Gods aanwezigheid!  Hier ervaart hij een heel andere God: niet streng, straffend, dictatoriaal oordelend (denk aan het beroemde driehoekje van Gods oog), maar een ‘zachte’ God. Zo wordt dus ook – ook in het Oude Testament – over God gesproken. (o.a. Exodus 34; Psalm 86; 103; 145 enzovoort.

Jezus bidt! Terwijl de leerlingen vooruit varen, blijft Jezus bidden. Loopt dan over het water naar hen toe. Zo ‘onaards’ dat het hen schrik aanjaagt. Zou dat zijn omdat alleen Jezus bad en zij niet?  Hij stelt ze gerust: “Ik ben het, wees niet bang”. ‘Ik ben het’ is verwant aan de Godsnaam: JHWH = ‘Ik zal er zijn’ .  Petrus stapt vol vertrouwen, of is ‘t bravoure, op het water – maar voelt al snel de angst boven komen en roept: om redding. Het woord ‘redden’ karakteriseert Jezus. Wordt van hem gezegd in 1.21 aan ‘t begin, 8.25 en 27.40 op het kruis. Jezus reikt hem de hand: “Kleingelovige”, net als andere leerlingen in 8.23-27.  Petrus verbeeldt aanvankelijk een enthousiast groot geloof, maar even later  slaat het hem bang om het hart. Misschien is dat wel onze natuur: ‘Himmelhoch jaudzend, zum Tode betrübt’. Misschien is het een eeuwige strijd: ‘Verbazingwekkend geloof’ zoals de Romeinse honderdman in 8.10 en ‘klein geloof’ zoals hier bij de leerlingen en Petrus.

Paus Franciscus komt op voor Gods barmhartigheid, voor Gods ‘zachte’ kant. “Ieder”, zegt hij, “die in God gelooft zou ‘als een moeder’– een ‘veldhospitaal’ moeten zijn; zo is onze God. Anders heb je het over een andere ‘god’ dan de Bijbelse of de Vader van Jezus.

Henk Bloem, pastor

Voor blogs bij de lezingen van deze zondag: lees hier