Project omschrijving

Schriftlezingen: Jesaja 25:6-10a en Matteüs 22:1-14

Je gaat watertanden bij deze lezing van Jesaja. Zo’n kostelijk feestmaal met eersteklas wijntje, niet voor een select clubje maar “voor alle volkeren”.  “De Heer van de machten” is de organisator, de gastheer. Zouden we daarom belijden: “Ik geloof in de almachtige Vader”, om ons in te prenten dat er vele machten zijn, maar slechts één almachtige? Hij brengt redding, feestvreugde. Het leven wordt één feest – denk maar aan de bevrijdingsstemming in 1945.

Maar hier gaat het om een andere redding dan die van oorlogsgeweld. Een omvattende redding – er staat ook “heel de aarde” zal ervan genieten – zoals het woord ‘almachtig’ een omvattende macht aanduidt. Je kunt ook denken aan het kerstverhaal waar de engelen zingen: “Heden is u een redder geboren”. Of aan de naam JEZUS = JOSHUA van het werkwoord “REDDEN”.

Betrek hierbij ook antwoordpsalm 23. Die brengt hetzelfde nog eens in gebedsvorm ter sprake. Als de Heer zijn herder is, zal de bidder altijd in het huis van de Heer zijn en verzekerd zijn van grazige weiden, koel water, veilige wegen, en een gedekte tafel.

In het evangelie spreekt Jezus tot de hogepriesters en Farizeeën, zoals net voorafgaand in vers 21:45 wordt gezegd. Eenmaal in Jerusalem  (Matteüs 21), waar zij de scepter zwaaien, verscherpen zich de tegenstellingen. En in plaats van hen recht in het gezicht aan te vallen, vertelt Jezus een parabel. Maar die is misschien wel scherper dan een rechtstreekse aanval. Het is niet gewoon een leuk verhaaltje; dan zou Jezus nooit aan het kruis geëindigd zijn!

Jezus gaat meteen naar de kern. Het Koninkrijk der hemelen was in eerste instantie door de koning – “IK heb mijn maaltijd bereid” (vers 22:4) – voor hen bedoeld, voor de joodse religieuze leiders, met name de Farizeeën (vers 21:45 en 22:15). Maar zij hadden hun eigen belangen: “gingen hun eigen weg, de een naar zijn akker, de ander naar zijn handel” (vers 22:5). In hun plaats worden nu “allen die ze maar vonden” genodigd, zonder onderscheid, terwijl de hogepriesters en Farizeeën juist wel onderscheid maakten! God biedt zijn uitnodiging zonder onderscheid aan iedereen aan, zelfs aan “slechten en goeden” (NB de volgorde).

De aansluitende gelijkenis over de man zonder bruiloftskleed wordt verhelderd door rabbi Eliezer (eind eerste eeuw): “Doe boete een dag voor je dood!” Zijn leerlingen vroegen: “Hoe weet de mens wanneer hij sterft?” De rabbi gaf hun ten antwoord: “Doe vandaag boete, je kunt morgen sterven.” Met andere woorden: doe je hele leven boete, draag je leven lang schone kleren. Want kleren maken de man!

In het evangelie wist de betrokkene “niks te zeggen” (vers 22:12). Waarom niet? Wilde hij niet? Kon hij niet? Hij was even tevoren nog “vriend” genoemd (zoals ook Judas in vers 26:50!). En ze brachten “slechten en goeden” binnen, dus daar kan het ook niet in zitten. Waarom dan zo’n onbarmhartig oordeel? Had hij misschien nooit uitgenodigd willen worden? Had hij zijn eigen ideeën en kwam het “koninkrijk der hemelen” daar gewoon niet in voor? Kwam hij alleen voor de lekkere hapjes? Best een moeilijk, maar ook raadselachtig slot van de lezing.

Friedrich Nietzsche, de filosoof van “God is dood” schrijft:
”Het belangrijkste is niet om in staat te zijn een feest te organiseren, maar om mensen te vinden die het kunnen waarderen.”

Henk Bloem, pastor

Voor blogs bij de lezingen van deze zondag: lees hier.