Project omschrijving

Schriftlezingen: 2 Maccabeeën 7.1-2, 9-14 en Lucas 20.27-38

Een ‘heidense’ koning dwingt hen hun Torah, hun hoop en geloof af te zweren en de hellenistische leefwijze en cultuur te volgen. De koning blijft naamloos. Als om te zeggen: Dit antisemitisme, of vervolging vanwege geloof, is niet alleen van hem en toen maar van alle tijden.

Enerzijds trouw aan God, aan de Torah (vers 30), anderzijds de leefwijze, (godsdienst?) van de overwinnaar. De actuele machthebber tegenover ‘de Koning van de wereld’. En dít leven tegenover de eeuwige herleving (anabiosis ). Dat ‘her’ = ‘opnieuw’ (ana)vind ik mooi verwoord. Her-leving, want er begint een ander leven. Voor gelovigen bepaalt het leven van hier en nu of je deel zult hebben aan het eeuwige leven. Niet állen verrijzen, zoals vers 14 zegt: het is geen automatisme. ‘De jongens (we horen er slechts 4 van de 7) getuigen’: het Griekse martus = getuige, en vandaar ook ‘getuigen met je leven’. Het gaat om hun – en hun moeders! – getuigenis!

Het opstandingsleven betreft niet alleen een ziel maar lichaam en ziel. Zo hoopt de derde zoon zijn handen van God terug te krijgen. En Orthodoxe Joden verzamelen na een aanslag zorgvuldig alle lichaamsdeeltjes: ze zijn nodig voor de opstanding, die, als in Daniel 12.2, alleen voor de rechtvaardigen is weggelegd. Bedenk: “Als je je vóór de dood nooit bekommerd hebt om je leven te verheffen, kun je niet verwachten dat je na je dood wel tot leven met eeuwigheidswaarde zult geraken”, zegt A. Heschel.

In het Evangelie wordt het gangbare verrijzenisgeloof belachelijk gemaakt! Kán toch niet? Neen, zoals zij ‘t zich voorstellen, kan het ook niet. Het woordenspel met het Griekse ‘(eks)anistémi’ en ‘anastasis’, vers 29 gaat van dat denken uit. Maar ook al slaat één en hetzelfde woord ‘leven’ zowel op dit aardse bestaan als op het opstandingsleven, Jezus betoont dat dat opstandingsleven ondenkbaar nieuw is. Dus eigenlijk niet te vergelijken. Het is ‘leven’ omdat God ‘leeft’, maar geen simpele verlenging van dit aardse leven. Met: ‘als engelen’, en: ‘kinderen van God’ duidt Jezus aan dat ‘het koninkrijk der hemelen’ van een andere orde is. Terwijl de Sadduceeën de continuïteit in de mensen zoeken, – en dan lachwekkende constructies zien – wijst Jezus op God als Degene die voor continuïteit zorgt. De levende God, zoals ook Mozes al hoopvol veronderstelde.

(Bij het nieuwe van het opstandingsleven citeer ik een gedicht van Ankie Pijpers. Zie hiervoor bij de ‘bezinning’ van deze week.)

Henk Bloem, pastor

Voor blogs bij de lezingen van deze zondag: lees hier