Project omschrijving

Schriftlezingen: Handelingen 4:8-12 en Johannes 10:11-18

Petrus verwoordt waar het conflict tussen het oude Joodse en het ontluikende christelijk geloof om gaat: de Naam van Jezus Christus de Nazoreeër. Die Naam, zegt hij, betekent heil, redding voor ons. Merk op: ons! Hij wil niet alleen beschuldigen, maar ook werven! En nog iets bijzonders: bij de kruisweg en kruisdood van Jezus zag of hoorde je geen van de leerlingen Marcus 14:50 (en Matteüs 26:56) noteert zelfs dat ze hem allemaal in de steek lieten en Petrus ontkende dat ie ooit van Jezus gehoord had (Marcus 14:67, Matteüs 26:70 en Lucas 22:57)
En nu, na Pasen, heeft Petrus ineens de mond vol van Jezus Christus de Nazoreeër. Pasen heeft niet alleen iets met Jezus, maar ook met hem gedaan. Je ziet ook dat de eerste christenen vanuit hun opstandingsgeloof grenzen durfden te doorbreken en een bijna onaantastbaar gezag ter discussie durfden te stellen. Wat hen niet door iedereen in dank werd afgenomen. Zij waren subversief!
Petrus spreekt “vervuld van heilige Geest” (vers 8). Daarmee is hij één van hen die bij Pinksteren “vol van heilige Geest”(2:4) raken , zoals ooit Jezus al bij zijn doop (Lucas 3:22). Betekent deze vermelding dat de joodse leiders dat niet zijn? Hij smeert hen zeker geen stroop om de mond, maar spreekt tegelijk wel van “ons”. Voor Petrus (Lucas!) gaat het om leven of dood!

In het evangelie verheldert Jezus wat het betekent de Goede Herder te zijn. En dan blijkt dit lieve pastorale plaatje van een toegewijde herder met zijn schaapjes veel springstof te bevatten en helemaal niet idyllisch bedoeld te zijn. De Bijbel gebruikt het beeld van herder en kudde om het leiderschap kritisch te beoordelen. Vanouds worden de leiders van Israël ‘herder’ genoemd, maar lijnrecht daar tegenin zegt Jezus: “Ik ben de goede herder!” Met polemische nadruk op ‘ik’ en op ‘goede’. En als in een repeterend refrein horen we vijf keer: ‘Ik ben, Ik ben, Ik ken, Ik heb, Ik geef, Ik heb’. HIJ (die: IK) doet en is alles wat de eigenlijke herders moeten doen. Maar zij zijn geen GOEDE herders! (zie 9:40); het gaat hen alleen om het eigen hachje, de eigen positie. Jezus’ herderschap is ‘goed’, ligt in het verlengde van Gods herderschap (Ezechiël 34). De woorden van Jezus leiden tot een schisma (Grieks: schizein, scheuren) onder zijn toehoorders (vers 19). Ze moeten kiezen: en dat geeft spanning.

Maarten Toonder schrijft in Tom Poes en de meesterschilder: “Hier wordt het gevaarlijk. Hier gaat de gids niet verder mee.”
Meegaan als het gevaarlijk wordt, typeert de goede herder. Jezus doet dat ook: “Ik geef dan ook mijn leven voor mijn schapen.” Merk op: mijn schapen, en niet afstandelijk, neutraal ‘de’ schapen.
Je leven geven, kan sterven inhouden, maar is ook je eigen verdriet, vreugde, hoop en wanhoop, eenzaamheid en vertrouwelijkheid delen. Je kunt ook vragen: gelden deze criteria alleen herders of ook ouders, leiders, regeringskabinetten, verplegend personeel, kerkgemeenschappen…Het Griekse hègeomai betekent voorop lopen, of: dezelfde weg gaan als zij die volgen.

Henk Bloem, pastor.

Voor blogs bij de lezingen van deze zondag: lees hier.