Project omschrijving

Schriftlezingen: Maleachi 3.1-4; Hebreeën 2.14-18 en Lucas 2.22-40

Maleachi’ betekent ‘mijn bode’ en bode zijn is de essentie van het vak van profeet. Een toepasselijke benaming dus. En als ie dan zegt: “Zie ik zend mijn bode voor Mij uit om een weg voor mij te banen” ligt het voor de hand om aan Johannes de Doper te denken en bij: “en aanstonds treedt dan de Heer zijn heiligdom binnen,..” aan Jezus die de tempel wordt binnengebracht. Maar… Maleachi maakte zelf deze link met Johannes en Jezus niet. Kon ie ook niet, zoveel eeuwen eerder. Voor hem en voor joden in het algemeen, heeft deze tekst ook zonder deze Nieuw-testamentische toepassing, haar betekenis. Dus niet te snel met onze christelijke interpretatie aankomen.

Jezus’ opdracht in de tempel wordt ‘reiniging van hen’ (van moeder en kind) genoemd. Waar moeten ze van gereinigd worden? En waarom?
Verderop is sprake van ‘aan de Heer op dragen’ en ‘aan de Heer toe heiligen’ en ‘een offer te brengen’. Dat klinkt positiever. In het verleden kwam bij ons meestal alleen de moeder naar de kerk voor deze opdracht. Het kind was namelijk al gedoopt en aan de Heer toegeheiligd. Maar dit versterkte de indruk dat die opdracht diende om je te reinigen na het baren van een kind. Was dat dan iets onreins? Er zat, denk ik, geen toekomstperspectief meer in deze rite – ‘t was alleen een afwassen van het verleden. Dat was de doodsteek voor deze liturgische opdracht.

Simeon was een Geest-elijke: De H. Geest rustte op hem en hij werd door de Geest gedreven. Hij verwachtte Israëls vertroosting, net als Hanna die de bevrijding van Jeruzalem verwachtte, en hem erop aansprak. Simeon en Hanna, twee rustpunten in een jachtige wereld. Beiden wisten wat wachten was, wisten van geduld. Joodse mensen wachten al zo lang op de Messias. Niet alleen maar wachten, maar verlangend de weg bereiden. In de lijn van profeten die vol verwachting naar zijn komst uitzien, van Johannes de Doper die de weg voor hem plaveide. De Joden zeggen wel eens dat niet-Joden niet kunnen wachten/verwachten. Misschien hebben ze wel (een beetje) gelijk.

R. M. Rilke, ‘Vertellingen over onze Lieve Heer’, blz. 41 “God heeft jou, Ewald, ertoe bestemd, een rustpunt te zijn te midden van alle gehaast. Voel je niet, hoe alles om je heen in beweging is? De anderen jagen de dagen na en wanneer zij er eens een bereikt hebben, zijn ze zo buiten adem, dat ze helemaal niet met hem kunnen praten. Jij echter, beste vriend, zit gewoon voor je raam en wacht; en de wachtenden valt altijd iets te beurt”.
En M. Shalev, ‘Mijn Jeruzalem’, pag. 19 schrijft: “Als er een einde komt aan het verlangen, verliezen mensen hun interesse”.

En Henriette Roland Holst schrijft:

Geduld mijn ziel en geduld:
uw nieuwe oogst kiemt nog niet…
de korrel slaapt in het verborg’ne
gebied.

Zoals de nieuwe tarwe
die de hongerende mensheid mart,
bloeiende geluksgarve,
nog slaapt in het wereldhart.

Geduld mijn ziel en vertrouwen:
wat de diepe schoot lang bewaart
zal zijn glanzende kracht ontvouwen
als het licht verjaart…

Er is zo veel te zeggen over ‘wachten’, over ‘verlAngen, je verlEngen naar het moment dat …., dat ik er nu mee stop. Vol verwachting klopt ons hart.

Henk Bloem, pastor